Scherven brengen geluk

95

Een maand geleden ontmoette ik mijn buurman van de camping. We waren toevallig allebei aanwezig om het water af te sluiten, want we hadden gehoord dat de vorst spoedig zijn intrede in het land zou doen. Toen we klaar waren met onze bezigheden nodigde hij me uit voor een glaasje en om de een of andere reden begon hij te praten over zijn reeds lang overleden Opa.

“Negen kinderen had die man. Eigenlijk wel een beetje veel,” zei hij vol ongeloof terwijl hij meewarig zijn hoofd schudde.

“Jouw Opa had negen kinderen?” vroeg ik hem geïnteresseerd.

Hij knikte bevestigend. “Dat gebeurde vroeger natuurlijk wel vaker,” ging hij verder. “Opa was nogal gelovig, weet je. Alles volgens het boek van mijnheer Pastoor en daar hoorden kinderen natuurlijk ook bij.”

Ik keek hem een beetje verbaasd aan. Wat mij betreft bestaan er geen grotere zegeningen dan kinderen, en zelf had de goede man ook een zoon. Maar ik begreep hem wel. Een goede opvoeding kost nu eenmaal de nodige centjes en, om het maar met de woorden van die Mijnheer Pastoor te zeggen, het opvoeden van kinderen vraagt om de wijsheid van Koning Salomo, en misschien ook wel om de kracht van iemand als Simson, die langharige wildebras uit het Oude Testament, die met zijn stoere bezigheden goed in het Guinness Recordboek gepast zou hebben.

Maar toen ik hem dat zei keek hij me wat verdwaasd aan en beweerde vol overtuiging dat zijn Opa in niets op die wijze Salomo uit de geschiedenis leek en helemaal geen krachtpatser was geweest, laat staan met lange haren.
“Opa zat vol mankementen en zijn huis zat vol met kinderen,” grinnikte hij.

“Maar hij was vast een gelukkig mens,” stelde ik aarzelend voor. “Iemand is pas echt rijk als hij kinderen heeft die in zijn armen rennen als hij met lege handen voor ze staat.”

Zonder aarzeling zei hij met overtuiging: “Dat klopt. Hij leek me inderdaad een gelukkig mens. Die man was zó positief. Geen storm kon hem er onder krijgen. Ik herinner me nog dat ik bij hem op schoot zat en dan vertelde hij me over de lente.”

Ik begreep het niet, maar het werd me uitgelegd. “Opa noemde zichzelf een lenteman. Hij geloofde in het principe van de lente.”

“O? En hoe werkt dat?”

“Opa was er van overtuigd dat er na een tijd van kille duisternis altijd weer iets goeds opbloeit uit de barre grond van het verleden. Opa wist dat de bomen altijd weer ontluiken na de winter, de bloemen hun kopjes weer uit de grond steken als de grond ontdooid is, en nieuwe levenskracht ons leven binnenstroomt als koning Winter de benen heeft genomen.”

“Misschien had hij toch wel een beetje wijsheid,” opperde ik.

Mijn buurman krabde op zijn voorhoofd en dacht even over mijn woorden na. Tenslotte haalde hij zijn schouders op en zei: “Ik weet het niet. Hij was maar een eenvoudige man, met een eenvoudige baan. Hij was stoker in een fabriek met de mooie naam ‘De Porceleyne Fles.’ ”

“Dat bedrijf ken ik,” onderbrak ik hem, want ik heb zelf jarenlang in Delft gewoond. “Daar komt dat echte Delfts Blauw vandaan, dat prachtige blauwe aardewerk. En jouw Opa werkte daar?”

Hij knikte bevestigend en ging toen verder: “Toch heb ik me vaak afgevraagd of die man, met zoveel kinderen, nog tijd had voor iets anders dan werken, eten en slapen.”

“Hij zal het inderdaad druk hebben gehad,” zei ik vol begrip.

Er verscheen een kleine glimlach op zijn gezicht. “Zelf hou ik er wel van om op een zachte lente-avond met een biertje in de tuin te zitten. Een romantisch moment onder het met sterren gevulde uitspansel. Maar dat zat er voor Opa natuurlijk niet in.”

Ik betwijfelde of hij gelijk had. Die negen kinderen van hem waren vermoedelijk geen onbevlekte ontvangenis, maar ik besloot mijn mond maar te houden.

“Ik stel me zo voor,” ging hij verder, “dat Opa ‘s-avonds afgepeigerd van zijn werk thuis kwam en ongetwijfeld gedacht moet hebben dat hij in Circus Toni Boltini terecht kwam.” Hij keek mij onderzoekend aan en wilde toen weten of ik dat circus nog kende. Nadat ik enthousiast geknikt had ging hij verder. “Stel je eens voor… Na de hele dag Delfts Blauw te hebben gefabriceerd moest hij ‘s-avonds nog eens aan de bak. In een egoïstische bui kun je één of twee kinderen misschien nog wel onder het tapijt stoppen, maar negen… Dat is toch een heel ander verhaal. En dat allemaal zonder de hulp van opwindende computerspelletjes, verslavende televisieseries, en de troostrijke, warme aanwezigheid van Facebook en Twitter.”

“Dat was inderdaad geen kleinigheid,” zei ik meelevend.

“Hebt u onze Delfts Blauwe vaas trouwens wel eens gezien?” vroeg hij toen. “Door Opa zelf gemaakt.”

Ik schudde van nee, en toen wees hij naar een prachtige Delfts Blauwe vaas die op een klein richeltje boven zijn zithoek stond aan de andere kant van zijn caravan. “Mooi hè,” zei hij eerbiedig. “Zoiets kost vandaag de dag wel een paar centen. Het is het enige dat we van Opa geërfd hebben.” Zijn gezicht betrok. “Da’s het probleem als je zoveel kinderen hebt.”

“Gelukkig zijn jullie allemaal goed terecht gekomen,” zei ik opbeurend. Hij had me eens verteld over hun hechte familieband.

Hij knikte. “Klopt. Hoe ze het voor elkaar kregen is me een raadsel, maar de hele familie is goed terecht gekomen.” Hij grinnikte. “Er zitten in mijn familie geen seriemoordenaars of frauderende en liegende politici. Niemand van ons stond of staat aan de verkeerde kant van de wet.”

“Misschien kwam het dus door de lente,” stelde ik voor. “Als je positief in het leven staat lijken zelfs de donkerste dingen zo erg nog niet.”

“Dat is waar,” zei hij en er kwamen lichtjes in zijn ogen. “De uitspraak dat de zon altijd schijnt achter de wolken en ons leven altijd weer zal opbloeien na de regen van pijn en tegenslag was voor Opa meer dan slechts een gezegde. Het was zijn levensovertuiging.”

“De lente staat trouwens weer voor de deur,” zei ik filosofisch.

“Dat zou mijn Opa ook gezegd hebben,” zei mijn buurman met een grijns. “Daar drinken we nog een biertje op.”

 

Vorige week zag ik hem weer.

De vorst was voorbij en alles op de camping stond volop in het teken van de naderende lente. De buurman was er ook.

Toen hij me zag aarzelde hij even en nadat hij me gegroet had zei hij: “Weet je nog dat ik je die mooie vaas van mijn Opa heb laten zien?”

Ik knikte. “Natuurlijk. Dat is een prachtig ding.”

“Was,” antwoordde hij.

Ik keek hem niet-begrijpend aan.

“Dat ding is kapot gevallen. Vorige week.”

“Je meent het.”
Hij perste zijn lippen op elkaar en vertelde wat er gebeurd was. “Het was mijn eigen schuld. Ik lette niet op nadat ik de hond zijn brokjes had gevoerd. Het is nogal nauw in mijn caravan en toen ik me oprichtte stootte ik de vaas met mijn hoofd van het plankje.”

Ik staarde hem met grote ogen aan.

“Ik stond als aan de grond genageld terwijl ik de vaas heen en weer zag schommelen,” ging hij verder. “Maar uiteindelijk verloor het pronkstuk zijn gevecht met de zwaartekracht en tuimelde het naar beneden. De vaas stuiterde nog even op de zachte vacht van mijn hond, die met een angstaanjagend gehuil wegvluchtte. Maar het mocht niet baten. Het erfstuk brak in vele scherven uiteen.” Hij zwaaide opgewonden met zijn armen  om het voorval uit te beelden. “Mijn vrouw was niet wat je noemt in haar nopjes. Ze beet me toe dat dat Opa’s vaas was. Dat wist ik natuurlijk ook wel, maar ik begreep haar natuurlijk wel.”

Toch verscheen er toen een glimlach op het gezicht van mijn buurman en zei hij: “Toen zag ik het papiertje liggen.”

Ik fronste mijn wenkbrauwen. “Wat bedoel je?”

“Net wat ik zeg. Er had al die jaren een papier in die vaas gezeten. Nooit gezien. Ik trok het tussen de scherven vandaan…”

“En?”
“Het was een gedicht,” zei hij. “Een gedicht, lang geleden geschreven door Opa en al die jaren weggestopt geweest in die vaas.”

“Wat stond er in?”

“Het was een ode aan de lente, over die prachtige tijd die komt na de gure winter, als de zon onze kille harten weer verwarmt. Een hartverwarmende aanmoediging dat de schoonheid van het leven altijd weer terugkeert, wat er ook kapot mag zijn gegaan in onze aardse levens. Hij zuchtte. “Jammer van die vaas natuurlijk, maar ze zeggen toch dat scherven geluk brengen? Dat geloof ik nu ook… Om zomaar opeens een gedicht van Opa te vinden over de lente… dat was toch wel heel bijzonder.” Hij schudde zijn hoofd en zei: “Het was haast alsof Opa persoonlijk tegen me sprak en zei: ‘Jaap… je moet eens wat meer in de lente geloven, want soms ben je een echte zwartkijker.’ Ik ben vast van plan om dat te gaan doen.”

Toen ik die avond naar huis terug reed bedacht ik dat ik zelf ook wel eens een zwartkijker ben. Laat ik dus maar eens extra goed van de lente genieten dit jaar.

Koos Stenger