Red het zwemvest!

49

Door Koos Stenger (Schrijver uit Diepenheim)

Er is een lente die nog altijd vers in mijn geheugen ligt. Koning Winter was vertrokken en moeder wilde het vieren met een reisje naar Italië. Het Comomeer is een gevaarlijke plaats voor een knulletje van vijf, want ik was de zwemkunst niet meester. Moeder had voor mij dus het beste zwemvest gekocht dat er te koop was; een professioneel oranje zwemvest, bijna net zo zwaar als ikzelf, dat met grote banden om mijn tere lijfje werd geklonken.
Ik haatte dat ding. Het ontnam me alle bewegingsvrijheid, en ik schaamde me dood. Moeder suggereerde nog dat ik op mijn grote televisieheld Ivanhoe leek, maar daar geloofde ik niets van.
Moeder had een waterfiets gehuurd. “Mag mijn zwemvest af?” vroeg ik. Ze keek bedenkelijk, maar ik mocht mijn kouwe harnas toch af.
Ze had echter niet op mijn broer gerekend die al een echte onderzoeker was. “Mamma…,” vroeg hij onschuldig, terwijl hij naar een boei wees die daar ronddreef. “Wat gebeurt er als wij tegen die boei aanvaren?” “Dat moet je niet doen, jongen.”
Dat was pedagogisch het verkeerde antwoord. Direct ging hij als een Razende Roeland vaart maken. Voordat mijn moeder kon ingrijpen werd ik samen met mijn harnas het Comomeer in geslingerd.
Moeder gilde het uit. Stel je voor dat wij dat dure zwemvest zouden verliezen. Ze sprak toen de legendarische woorden: “Red het zwemvest! In Godsnaam, red het zwemvest.”
Maar dat kon toch drijven? Mijn arme moeder was ervan overtuigd dat mijn lentegeluk voorbij was.
Maar ik genoot van de vrijheid in dat heerlijke water. Ik spartelde als een hondje in het rond en redde tenslotte zelf het zwemvest.
“Kun jij zwemmen?” stamelde Moeder verbouwereerd.
Het harnas hoefde toen niet meer en het werd een prachtige Italiaanse lente.
Laatst zag ik het weer. Moeder was overleden en mijn broer en ik moesten het ouderlijk huis opruimen. Opeens had ik dat onding in mijn handen. Mijn broer, inmiddels een gepensioneerde wetenschapper, begon te lachen.
“Weet je het nog? Red het zwemvest!”
“Neem jij het maar,” zei ik tegen mijn broer. “Je gaat toch kamperen deze zomer en je kleinzoon kan wel zo’n ding gebruiken. Scheelt je weer een paar Euro.”
Mijn broer schudde zijn hoofd. ”Mooi niet. Die kan al zwemmen. Net als jij toen.”