Kindergebed

32

Door Koos Stenger

Toen ik nog klein was gingen we voor het eerst op vakantie naar Frankrijk. “Frankrijk,” zei mijn vader, “is héél ver weg. Drie dagen rijden.”
Drie dagen achter in de auto? “Waarom zo ver, papa?”
“Frankrijk is het vakantieland van de toekomst, jongen. Ze hebben stokbrood, wijn en kaas. De romantiek bruist er door de straten.”
Ik begreep het niet. Kaas en brood hadden wij ook, maar wijn kende ik niet.
“Wijn,” legde papa uit, “is druivensap, maar anders. Dat geven ze daar aan kinderen op school. Iedereen drinkt het.”
Dat leek me wel wat. Ik moest het met lauwe schoolmelk doen. Daar had ik een gruwelijke hekel aan. Maar drie dagen in de auto… ‘s Avonds, toen ik mijn avondgebedje opzei vroeg ik aan Onze Lieve Heer of ik thuis mocht blijven.
Maar maandagmorgen vertrokken we met ons kevertje richting Belgische grens. Na drie uur kwamen we daar aan.
“De grens,” fluisterde mijn oudere broertje. Toen ik de grensbewakers zag begreep ik waarom hij fluisterde. Ze zagen er angstaanjagend uit, met grote uniformen aan.
Pappa draaide zijn raampje open.
“Goedendag mijnheer… op vakantie? Nee… uw paspoort hoef ik niet te zien. Veel plezier mijnheer.”
Toen moesten we nog over de Belgische grens.
Een klein mannetje met een grote snor hield zijn hand omhoog. Hij staarde naar binnen. Toen zijn ogen op mij rustten voelde ik me direct schuldig. Zijn blik was zo doordringend dat ik zeker wist dat ik iets verkeerds gedaan had.
“Paspoorten,” zei hij bars. Mama zocht in haar tas. Er kwam niets.
“Piet,” zei mama onzeker. “Wij zijn de paspoorten vergeten.” De grenswacht schudde zijn hoofd en zei bars: “Geer mot ommekaere, ger kènt neet wier hier.”
“We mogen niet verder,” legde vader uit.
Daar gingen we weer. Terug naar Nederland.
Toen wij thuiskwamen had ik toch zo’n zeven uur in de kattenbak gezeten. Frankrijk ging dat jaar mijn neus voorbij. De kaas, het stokbrood en de wijn ook, maar ik was blij. Toen ik die avond weer op mijn knietjes voor mijn bed zat kon ik het niet nalaten die lieve God te bedanken dat Hij zo goed naar me geluisterd had.