Festen

129

Heel soms denk ik wel eens, wat doe ik hier eigenlijk in Diepenheim?
Dat zijn dan van die dagen dat je hier een kanon kunt afschieten, geen hond te bekennen, grijze sombere dag, enkel de Spar en de slager zijn open. En de paar mensen die ik dan tegenkom, kijken of naar de grond of… ja zelfs in Diepenheim, op hun mobiel.
Van dat soort dagen. Vaak in het begin van het nieuwe jaar. Dan mis ik ineens een heleboel mensen die er niet meer zijn. Vooral mijn zusje, mijn zwagertje en een paar goeie vrienden. Zelfs Herman Brood en Leonard Cohen mis ik dan. Ook mis ik dan Leida mijn oude buurvrouw die elk jaar rond deze tijd haar zelfgebakken kniepertjes bracht.
Nee, niks aan dit gesomber.
Ik spoed me dan naar huis, want ik weet dat in mijn kelder nog 3 dozen van die knieperdingen staan (fabrieks,bah) en een spuitbus slagroom (bah).  Terwijl ik mijn jas nog aan heb en de kelder in struikel, scheur ik het pak open en probeer de tuit in het kniepertje te duwen. Helaas, de tuit is te groot, dus prop ik een rolletje in mijn mond en vul daarna  mijn volle mond met een flinke spuit slagroom. Troosteten noemen ze dat. Een decadente welvaartsafwijking.
Ik baal van mijzelf en herhaal dit ritueel nog eens 4 keer. Daarna voel ik me kotsmisselijk. Getver. Met een opgeplofte buik vlij ik me met jas nog aan op mijn prachtige divan, al zeg ik het zelf. Bij het raam.

Odaaa, waar ben je mee bezig? Dit is niet goed!

De treurnis ten top. Buiten is het grauw en grijs. Na een half uur op apegapen te hebben gelegen, spreek ik mezelf streng toe, geef mezelf een flinke schop onder mijn kont en geef mezelf een verstandig advies.

Dankjewel.

Ik ren de trap op, hijs me in een sporttenue, zet muziek op mijn hoofd en weg ben ik, rennen maar. En ja, na een kwartiertje door de blubber sprinten, begint er, hoera, een stofje in mijn hersenpan te werken. Het grauwe grijze wordt helder en de witte wieven lijken ineens sprookjesachtig mooi. Bij de Schipbeek aangekomen sta ik even stil en geniet van een grote vlucht ganzen boven mijn hoofd, die me lijken toe te roepen, zet um op Oda.

Ik voel me weer fijn en zing mee met Leonard Cohen, ‘Dance me to the end of love”

En zo kom ik weer thuis.

Ik neem een bad, tut me op en een paar uurtjes later zit ik in de Pol te kijken naar de toneelversie van de Deense film Festen uit 1998!

Dat deze grijze dag zou eindigen met een zwaar thema als dat van Festen, had ik die ochtend niet kunnen bevroeden. Maar toch keek ik met veel genoegen naar ons eigen toneelgezelschap Ons Genoegen. Petje af voor deze toneelgroep die al meer dan 100 jaar bestaat in ons Deepn.

De schone kunsten hoeven niet helemaal van buiten te komen.

Ineens weet ik weer waarom ik hier zo graag woon.

Oda