Een ijskoude winter

76

door Koos Stenger

Zo koud had Sjoerd Dommelink het lang niet gehad. Rillend staarde hij naar de ijspegels boven de deur en hij vermoedde dat de temperatuur minstens -20º C was. De rijp had zich in rap tempo vastgegrepen aan zijn baardhaar en de bijtende kou begon zijn adem af te snijden. In de wintermaanden kun je natuurlijk wel wat verwachten, maar hier had Sjoerd niet op gerekend. Terwijl hij woest met zijn voeten begon te stampen, om zo de nodige warmte door zijn blauw aanlopende lichaamsdelen te stuwen, vroeg hij zich koortsachtig af wat hij kon doen om zich tegen deze alles verslindende vrieskoude te beschermen. Recentelijk had er een artikel in de krant gestaan. Tien tips ter bestrijding van de winterkoude.
Hij had het nauwelijks gelezen en het smalend naast zich neergelegd. Hij had het tenslotte nooit koud, maar nu wenste hij toch dat hij het beter gelezen had. Twee of drie tips kon hij zich vaag herinneren. Blijf warm, beweerde de schrijver. Ja, dat was nogal wiedes. Die had zeker ook het buskruit niet uitgevonden. Maar hoe dan? Hij droeg alleen een gescheurde spijkerbroek en zijn verbleekte T-shirt met het opschrift I Love New York.
Houd iets voor je mond en neus om de koude uit je longen te houden. Er was hier niets behalve een stuk bevroren karton. Mismoedig liet hij zich op de ijskoude grond zakken. Dit was de ergste winter die hij ooit had meegemaakt.
Opeens braken de ijspegels af en ging de deur krakend open. Een golf van warmte stroomde over Sjoerds verkleumde lichaam en hij sprong vol vreugde op. Maar toen hij het dreigende gezicht van zijn baas zag, bevroor de gelukzalige uitdrukking direct weer op zijn gezicht.
De baas vloekte. “Ik loop je al een half uur te zoeken,” schreeuwde hij. “Het is deze winter zo zacht dat we het terras hebben open gegooid en je moet helpen bedienen. En voor je informatie, een vrieskast is niet bedoeld om pauze in te houden.”
“De deur viel per ongeluk op slot,” stamelde Sjoerd, terwijl hij stijfjes de vrieskast van het restaurant uitkroop. “De kok had een biefstukje nodig.”
“Praatjes vullen geen gaatjes,” brieste de baas. “We hebben het deze winter heel druk en van je excuses word ik niet koud of warm.”