De tandarts

145

Het is weer tijd voor de tandarts. Al zijn ze nog zo aardig, ik hou er niet van. Ik krijg al de zenuwen als ik er aan denk en voel me weer een klein meisje. Tien jaar was ik, toen ik op een gejatte fiets van mijn oma de straat uit reed.

Zelf had ik nog geen fiets, we woonden vlak bij de school en het dorp was maar klein. Trots als een pauw reed ik de straat uit. Wie doet me wat. Zien jullie mij wel? Kijk, ik ga nu met mijn billen tijdens het rijden op de bagagedrager zitten en mijn voeten op de trappers. Ik genoot! De mensen in de straat keken om voor zoveel lef, dacht ik. Wat ging dat goed en luidzingend vloog ik over een blok hout en werd met een salto gelanceerd op de straat. Tranen met tuiten en vol schaamte kreupelde ik met een kapotte fiets huiswaarts. Hoe dit te vertellen?

In de bijkeuken keek ik voorzichtig in het roestige spiegeltje en ik gilde het uit, mijn mooie voortanden waren afgebroken en ik zag er uit als de lelijke heks uit het sprookjesboek.

Mijn moeder kwam op het gejammer af en schrok zich wild. Waarom jat je de fiets van Oma en ik had nog liever gehad dat je een arm had gebroken.

Ze had geen tijd voor dat soort dingen want thuis  waren nog meer kleine kleuters waaronder mijn gehandicapte broertje. Dat begreep ik wel en ik voelde me schuldig en moest nog harder huilen.

Op naar de tandarts, achterop de fiets en daar begon de ellende.

Een dure grap die wij ons eigenlijk niet konden veroorloven, jammerde mijn moeder.

De voortanden werden afgezaagd, in mijn beleving zonder verdoving en er kwamen jackets overheen.

Ik leek wel een konijn .De volgende ochtend merkte ik dat mijn arm toch wel pijn deed en ja hoor, nadat ik in mijn eentje op de bus werd gezet naar het ziekenhuis in de grote stad, bleek ook mijn arm gebroken.

Daarna ging ik als een soort konijn door het leven en op mijn 17de kreeg ik eindelijk 2 redelijk mooie tanden in mijn hoofd gezet. Dat werd tijd, want er was geen jongen die een konijn wilde als vriendin.

15 jaar later was het, toen ik tijdens het eten van een noot een van mijn tanden brak.

Het was winter, het sneeuwde en het was al donker aan het einde van de middag.

We zouden ‘s avonds een feestje hebben. Weer zag ik een heks in de spiegel. Dus, weekendtandarts gebeld en ja, ik kon me een uur later melden. Toen ik arriveerde bleek er nog niemand te zijn.

Daar stond ik in een Anton Pieckachtig decor, in de sneeuw te wachten op mijn reddende engel, de tandarts.

En ja, daar kwam hij aangewandeld.

Keurige oude heer, hoedje op en hij liep op me af. Ik zei dat ik zo blij was dat ik nog zo snel geholpen kon worden en dat mijn voortand gebroken was.

Terwijl we nog buiten stonden, vroeg hij of ik mijn mond open wou doen.

Wel een beetje vreemd op straat, maar ik deed het gehoorzaam.

Voordat ik het in de gaten had, zoende hij me plat op de bek.

Ik gilde het uit, hij rook naar drank en gierend van de lach liep hij de hoek om.

Het was de tandarts niet, het was een loslopende gek.

 

Oda